Exit through the Gift shop!

Wellicht kun je hier je heil vinden. Vaarwel!!

Alfred North Whitehead schreef: ‘The safest general characterization of the European philosophical tradition is that it consists of a series of footnotes to Plato. I do not mean the systematic scheme of thought which scholars have doubtfully extracted from his writings. I allude to the wealth of general ideas scattered through them.’[n] 

Ligt het dan niet voor de hand de filosofie te zoeken in haar ontstaansgrond? De eerste de beste, nietwaar! Terug dus naar de Griekse oorsprong, naar Boek VII van Plato’s Politeia, naar de beroemde grotgelijkenis. Deze tekst markeert het begin van filosofie, 2400 jaar geleden – en nu? Tolle, lege!


In het volgende fragment verhaalt Sokrates [‘ik’] van het gesprek dat hij met Glaukon [‘hij’] voerde.[n] Lees het aandachtig en beantwoord de vragen.

Na deze dingen nu, zei ik, vergelijk onze natuur [phusin] met een dergelijke ervaring omtrent opvoeding [paideias] en onopgevoedheid [apaideusias]. Stel je voor: mensen houden zich op in een onderaardse, grotachtige verblijfplaats. De diepe toegangsweg, lopende langs de gehele lengte van de grot is geopend naar het licht [phoos]. En daarin zitten de mensen van jongs af in boeien geslagen, en dat wil zeggen met hun benen en nekken, zodat zij op hun plaats blijven en alleen naar voren kunnen kijken en niet in staat zijn hun hoofden om te draaien. Achter hen brandt van boven en van verre een vuur en tussen het vuur en de geboeiden is op een hoger niveau een weg. En stel je voor dat daarlangs een muurtje is gebouwd zoals de poppenspelers voor de mensen oprichten om hun kunsten te tonen.

Ik zie het, zei hij.

Stel je nu verder voor dat de mensen langs dat muurtje veelsoortige voorwerpen worden getoond, die boven het muurtje uitsteken: beelden van mensen en andere levende wezens, [gemaakt] van steen en hout en van allerlei andere materialen. Zoals voor de hand ligt spreken zij die geboeid zitten te kijken en zwijgen zij die langs het muurtje dragen.

Wat vertel je van een vreemd beeld [atopon eikona], zei hij, en van ongewone geketenden [desmootas atopous].

De gevangenen lijken echter op ons, antwoordde ik. Want zien de mensen die in die situatie verkeren, zij het van zichzelf of van een ander, van tevoren ooit iets anders dan de schaduwen [skias] die door het vuur geworpen worden op de recht tegenover hen liggende wand?

Hoe zou dat kunnen, zei hij, als zij gedwongen zijn hun hele leven de hoofden onbeweeglijk te houden?

Wat zien zij van de bedoelde voorwerpen? Zien zij niet de schaduw?

Natuurlijk.

Als zij in staat waren met elkaar te bespreken wat zij zagen, zouden zij dan niet wat zij nu precies zien de werkelijke dingen noemen?

Daartoe zouden zij genoodzaakt zijn.

En stel nu eens verder dat de gevangenis vanaf de recht tegenoverliggende wand een echo had, zouden zij dan – telkens als er een van de dragers [achter hen] zou spreken – iets anders voor de bron van het geluid houden als de voorbijgedragen schaduw?

Bij Zeus, dat denk ik niet! zei hij.

Geheel en al dus, antwoordde ik, noemen [nomidzein] mensen in een dergelijke situatie de waarheid [to alèthes] niets anders dan de schaduw van door mensenhand gemaakte voorwerpen.[t]

Dat is absoluut noodzakelijk, zei hij.

Kijk, zei ik, hoe gevangenen worden bevrijd en genezen worden van de inzichtloosheid [aphrosunès] en bedenk wat voor een aard deze inzichtloosheid heeft als iets dergelijks met hen gebeurt. Telkens wanneer er een bevrijd zou worden en gedwongen worden plotseling [eksaiphnès] op te staan en de nek te draaien [periagein ton auchèna] en de weg op te lopen en tegen het licht in te blikken dan zou hij – dit alles doende – pijn lijden [algoi] en door het geschitter niet in staat zijn datgene nauwkeurig te ontwaren waarvan hij eerder de schaduwen zag. Wat, denk je, zou hij zeggen als iemand tegen hem zou zeggen dat hij eerder slechts nietigheden zag en nu iets dichter bij het zijnde is [pros mallon onta] en nu meer toegewend naar het zijnde ook juister kijkt [orthoteron blepoi]? En als iemand hem dan nog ieder van de voorbijgedragen voorwerpen toont en hem zou dwingen te antwoorden op de vraag Wat is het? [ho ti estin], denk je dan niet dat hij dan geen uitweg weet [aporein] en de schaduwen van de voor hem voorbijgedragen voorwerpen voor meer waar [alèthestera] houdt dan de hem nu getoonde voorwerpen?

Ja veel meer waar, zei hij.

En als iemand hem zou dwingen in het licht van het vuur zelf te kijken, zouden dan niet zijn ogen pijn doen en zou hij dan niet vluchten, zich afkerende, naar datgene wat hij wel in staat was duidelijk te ontwaren en dat in feite meer helder [saphestera] te noemen dan het hem getoonde?

Zo is het, zei hij. 

Als nu, zei ik, iemand hem met grof geweld zou slepen over de hobbelige en steile weg omhoog, en dat hij hem niet zou loslaten voordat hij het licht van de zon zou bereiken, denk je dan niet dat degene die gesleept wordt een heftige irritatie ondergaat [aganaktein]? En zou hij niet, in het zonlicht aangekomen, de ogen vol glans hebben en zou hij dan niet in staat zijn te zien van wat nu waarheid genoemd [legomenoon alèthoon] wordt?

Geenszins zou hij dan in staat zijn te zien, zei hij, zo plotseling tenminste. 

Een gewenning [sunètheias] zou dus nodig zijn, meen ik, als hij zou willen zien wat boven [buiten de grot in het licht van de zon] is. En als eerste zou hij dan de schaduwen het gemakkelijkst kunnen zien, daarna in het water de weerkaatsingen van de mensen en de andere dingen en als laatste zou hij de dingen zelf en onmiddellijk daarna de hemellichamen en de hemel zelf bij nachte gemakkelijker aanschouwen – omdat hij kijkt naar het licht van de sterren en van de maan – dan overdag de zon en het licht van de zon.

Zeker!

En als laatste, meen ik, is hij in staat de zon zelf te zien, niet alleen in de weerspiegelingen in het water of waar zij ook oplicht, maar de zon zelf op zichzelf [auton kat’ auton] op haar eigen plaats, zoals de zon eigenlijk is.

Noodzakelijk, zei hij. 

En na dit alles kan hij omtrent de zon tot de slotsom komen dat zij het is die de jaargetijden en jaren geeft en alle dingen ordent die zich bevinden in de wereld van het zichtbare, en op een bepaalde wijze ook de oorzaak [aitios] is van alle dingen die zij zelf [de gevangenen] voor zich hebben.

Het is duidelijk, zei hij, dat hij daartoe komt [tot de zon] nadat hij over [met’] datgene [wat slechts schaduw en weerspiegeling is] is heengegaan [elthoi].

Wat volgt daar dan uit? Wanneer hij zich de eerste verblijfsplaats zou herinneren en de daar maatgevende wijsheid [sophias] en de medegevangenen van toen, denk je niet dat hij zich gelukkig zou prijzen [eudaimonidzein] wegens zijn verandering [metabolès], hen echter betreuren?

Zeer.

Als nu onder de mensen in de situatie van toen in de grot eerbewijzen en loftuitingen werden voorbehouden aan hen die het scherpst de voorbij gedragen dingen in het oog vatten en zich herinneren wat daarvan het eerst, wat daarna en wat gelijktijdig voorbijgedragen wordt, en op grond daarvan op de meest efficiënte wijze kunnen voorspellen wat komen gaat, denk je nu dat die ene bevrijde gevangene verlangt die eerbewijzen te hebben en afgunstig is op diegenen onder hen die geëerd worden en in hoog aanzien staan? Of heeft hij niet eerder de ervaring zoals Homerus die beschrijft “… liever als dagloner op het land werken, voor een ander, in dienst van een arm man, die niet veel inkomen heeft [dan te heersen over alle gestorven doden]” en wil hij niet liever wat dan ook ervaren dan wat die lui [in de grot] menen en op die manier te leven?

Ik geloof, zei hij, dat hij alles liever zou willen ervaren dan die wijze van menszijn te moeten accepteren.

Bedenk je dan ook het volgende, zei ik: als de man die in een dergelijke situatie verkeert weer terug afdaalt en weer op dezelfde zitplaats gaat zitten, zouden zijn ogen niet geheel met duisternis worden gevuld, zo plotseling komende uit het zonlicht?

Ja natuurlijk.

Als hij nu moet wedijveren met diegenen die steeds gevangen zijn geweest in het beoordelen van die schaduwen, zolang hij nog slecht ziet en wat een niet geringe tijd kost tot gewenning, zou hij zich dan niet belachelijk maken, en zou men niet tegen hem zeggen dat hij naar boven is opgestegen om met verpeste ogen terug te keren en dat het niet de moeite loont om ook maar te pogen naar boven te gaan? En zouden zij diegene die zich ertoe zet degenen die gevangen zijn te bevrijden en omhoog te voeren, als zij in staat zijn hem te pakken en te doden, niet werkelijk ook doden?

Ja absoluut, zei hij.

Welnu, zei ik, dit beeld [eikona] in zijn geheel genomen, vriend Glaukon, moet je noodzakelijk in verband brengen met hetgeen we [eerder] gezegd hebben.[n] De door het zien zichtbaar wordende wereld moet je geheel gelijk stellen met de behuizing van de gevangenen, die van het schijnsel van het vuur in de behuizing van de gevangenen moet je geheel gelijk stellen met het licht en de kracht van de zon; en als je de tocht naar boven en het aanschouwen van de wereld daarboven gelijkstelt met het opstijgen van de ziel naar de kenbare wereld [ton noèton topon], dan zal je niet ontgaan wat mijn overtuiging is, aangezien je deze verlangde te horen. God zal wel weten of mijn vooronderstelling ook inderdaad waar [alèthès] is. Wat mij verschijnt doet zich zo aan mij voor: in de kenbare wereld is als laatste [teleutaia] en met moeite de idee van het goede te zien [hè tou agathou idea]. Zodra men haar echter heeft gezien zal men haar ook erkennen als de bron [aitia] van al het juiste [orthoon] en het schone [kaloon].[t] In de zichtbare wereld brengt de zon het licht voort en is zij heer en meester [kuria], in de wereld van het kennen is zij [de idee van het goede] zelf heer en meester, de waarheid [alètheian] en het verstand [noun] voortbrengend. En wie dus het verstandigst handelen [euphronoos praksein] wil – hetzij in de privésfeer, hetzij in het openbare leven – moet de idee van het goede dus zien [idein]. 

Ik stem met je in, zei hij, voor zover ik daartoe in staat ben.

Vragen bij het tekstfragment

  1. Hoe is de situatie in de grot? 
    1. ‘Stel je voor!’ Maak een tekening of een schematische weergave van de situatie in de grot, zoals deze door Sokrates wordt beschreven. Zorg ervoor dat de relevante elementen op de juiste plaats terechtkomen.
    2. Bekijk de beroemde gravure Antrum Platonicum uit 1604 van Jan Saenredam. Vergelijk de gravure nauwkeurig met Sokrates’ opmerkingen aangaande de situatie in de grot. In hoeverre komt de gravure niet overeen met de tekst van Plato? Noem tenminste drie zaken in de afbeelding die niet kloppen met de tekst.
    3. In de koptekst boven de gravure staat in het Latijn de Bijbelpassage Johannes 3:19. Vertaal de passage (of zoek een vertaling) en beoordeel in hoeverre deze titel de lading dekt van Plato’s tekst.
  2. Welke vier stadia doorloopt de gevangene? Hoe speelt het maatgevende, alètheia, in ieder stadium?
  3. Hoe spreekt Sokrates in de grotgelijkenis? Hij noemt het zelf een eikoon, een beeld of gelijkenis. 
    1. In een gelijkenis staat iets voor iets anders. Waar staan de relevante elementen van vraag 1a in werkelijkheid voor?
    2. Het werkwoord eikoo betekent naast naast ‘lijken op’ ook ‘uitwijken’. Waarom zegt een filosoof niet direct waar het op staat? Zoek in de tekst passages die aanwijzingen geven voor deze uitwijkmanoeuvres. 
  4. Filosoferen begint in de passage die begint met: ‘Kijk, zei ik, hoe gevangenen worden bevrijd en genezen worden…’  
    1. Welke woorden vallen daar in de tekst om het gebeuren te beschrijven? Noteer ze. Wat valt je op?
    2. Hoe komt het filosoferen op gang? Welke aanwijzingen geeft de tekst?[t]
  5. Leg aan de hand van de tekst uit waarom het begin van filosoferen niet kan worden begrepen als een gang van schaduwen naar licht c.q. van gevangenschap naar vrijheid.
  6. De zon neemt in de grotgelijkenis een eigenaardige plaats in. 
    1. Leg deze plaats uit aan de hand van de volgende uitspraak: ‘Dankzij het licht zie ik de zon.’
    2. Ook speelt ten aanzien van de zon de tijd op eigenaardige wijze: bedenk hoe de zon het laatste is, maar ook altijd al het eerste.
  7. Bekijk of en in hoeverre de drie irritatievragen in de grotgelijkenis beantwoord worden: 
    1. ‘Hoe een weg te vinden zonder te weten waar te zoeken?’
    2. ‘Waarom überhaupt op weg gaan?!’
    3. ‘Hoe, wanneer een weg gevonden is, te weten op weg te blijven en niet van het pad te raken?’ 
  8. Plato’s grotgelijkenis geeft een beeld van de wijze waarop filosofie begint – toen... en nu? Stel je zelf de vraag: (Wat) gaat het mij aan, zo’n atopos verhaal van duizenden jaren oud? Schrijf een voorlopig antwoord op, dateer, en keer er later op terug.

De crux van de grotgelijkenis kan bondig worden verwoordt als: Dankzij het licht zie ik de zon. In dit aforisme ligt een aanwijzing hoe je je als filosoof altijd nog kunt wenden: naar het licht van de zon, dankzij welk ik (haar) kan zien. Laten we dit merkwaardige licht proberen wat nader te brengen.

Aan het einde van Boek VI van de Politeia, dat direct voorafgaat aan de grotgelijkenis, komt de zon al uitgebreid ter sprake. Aan het woord zijn weer Sokrates [“ik”] en Glaukon [“hij”]. Lees het fragment[n] en beantwoord de vragen:

Goed, dan wil ik jullie [Sokrates richt zich tot Glaukon en Adeimantos] eerst iets in herinnering [anamnèsas] brengen. Iets dat we in dit gesprek en ook eerder al vaak hebben besproken en erkend, namelijk dat we een veelvoud van mooie dingen [polla kala] onderscheiden en een veelvoud van goede dingen [polla agatha], enzovoorts, maar ook het bestaan aannemen van schoonheid [auto kalon] en goedheid [auto agathon]. Op die manier brengen we al die dingen waarvan we zojuist zeiden dat ze in veelvoud voorkwamen telkens onder één aspect [kat’ idean mian], ervan uitgaande dat zij een eenheid vormen, en noemen we [prosargoreuomen] het datgene ‘wat het is’ [ho estin].

Zo is het.

En van dat vele zeggen we, dat het gezien wordt [orasthai], maar niet gedacht [noeisthai]; van de ideeën daarentegen, dat ze gedacht worden, maar niet gezien.

In ieder geval.

En wat in ons maakt dat we het geziene zien?

Het gezicht, zei hij.

Zo horen we toch wat we horen met het gehoor en nemen we toch met de andere zintuigen waar wat we waarnemen?

Ja.

Heb je er wel eens bij stilgestaan, vroeg ik, hoe kwistig de maker van onze zintuigen is geweest toen hij het zien en het geziene bedacht?

Niet echt, zei hij.

Bekijk het maar eens dan. Hebben gehoor en geluid nog iets anders nodig om te kunnen horen en te worden gehoord? Zodanig, dat als dat derde element ontbrak, horen en gehoord worden onmogelijk zouden zijn?

Nee, dat is niet nodig, zei hij.

Ik denk, zei ik, dat vele andere zintuigen, om niet te zeggen alle, zoiets niet nodig hebben. Of ken jij soms een uitzondering?

Ik niet, zei hij.

Realiseer je je dan niet dat het bij zien en gezien worden wel nodig is?

Hoezo?   

Welnu, als je ogen kunnen zien en dat je van dat vermogen gebruik probeert te maken en dat er kleur in de dingen aanwezig is, dan besef je toch dat je niets zult zien en dat de kleuren onzichtbaar zullen blijven zolang er geen derde element [genos triton idiaj] bijkomt dat van nature speciaal voor dat doel is bestemd.

Over wat voor iets heb je het toch? vroeg hij.

Dat wat jij licht noemt, zei ik.

Daar heb je gelijk in, zei hij.

Dus door een niet onbeduidend element [ideaj] zijn het gezichtsvermogen en het vermogen om gezien te worden met een juk [zugon] aan elkaar verbonden, dat heel wat waardevoller is dan de verbindingen bij de andere zintuigen – aangenomen dat licht niet waardeloos is.

Nee, licht is absoluut niet waardeloos, zei hij.

Welke van de hemelgoden houd jij hiervoor dan verantwoordelijk [aitiasasthai]? Wie van hen geeft het licht waardoor wij in staat zijn om te zien en het zichtbare [de dingen] om gezien te worden?

Dat weten jij en ieder ander net zo goed, zei hij. Want je bedoelt natuurlijk de zon.

Zit het tussen het gezichtsvermogen en deze god van nature niet zo?

Hoe?

Het vermogen om te zien zelf en het orgaan waarin dit vermogen zetelt (wat we het oog noemen), zijn niet de zon.

Zeker niet.

Toch is er volgens mij geen zintuig dat zoveel op de zon lijkt [helioeidestaton].

Absoluut.

Ook het vermogen [dunamin] dat het oog heeft, wordt door de zon verleend en stroomt er toch als het ware vanuit de zon naar toe?

Zonder meer.

Dus de zon is niet het gezichtsvermogen, maar dat gezichtsvermogen waardoor wij haar kunnen zien is wel aan haar te danken [aitios].

Zo is het, zei hij.

Toen ik het over de afstammeling van het goede had, bedoelde ik de zon, zei ik. De zon wordt door het goede voortgebracht als een evenbeeld [analogou]. De plaats die het goede zelf in de wereld van het denken inneemt ten opzichte van het verstand [noun] en dat wat gekend wordt [nooumena], gaf zij in de zichtbare wereld aan de zon ten opzichte van het gezichtsvermogen en de zichtbare dingen [horoomena].

Hoe dan, vroeg hij. Kun je dat duidelijker uitleggen?

Je weet, zei ik, dat onze ogen slecht worden wanneer je ze niet meer richt op de dingen waarvan de kleuren door het daglicht worden beschenen maar op dingen in nachtelijk schijnsel. Ze lijken dan hun scherpte te verliezen en haast blind, of er geen helder zichtvermogen meer in is.

Inderdaad, zei hij.

Maar dingen die door de zon worden verlicht zie je duidelijk en diezelfde ogen hebben dan wél een goed zichtvermogen.

Natuurlijk.

Bedenk dat het met de ziel [psuchès] net zo is. Wanneer ze zich richt op wat door waarheid [alètheia] en werkelijkheid [to on] wordt verlicht, dan bemerkt en herkent ze het en blijkt het dat ze verstand heeft. Maar wanneer de ziel is gericht op wat met duisternis is vermengd, op wat ontstaat en vergaat, dan heeft ze alleen opvattingen [doksadzei] en verzwakt haar zichtvermogen zodanig dat ze steeds van gedachte verandert en het is alsof ze geen verstand heeft.

Dat is zo.

Wat aan wat gekend wordt waarheid geeft en degene die kent daartoe in staat stelt, dat moet je nu de idee van het goede noemen [tou agathou idean]. Bedenk dat zij wordt gekend met behulp van het verstand, maar dat zij zelf de oorsprong [aitian] is van kennis [epistèmès] en waarheid. En kennis en waarheid mogen allebei nog zo mooi zijn, je hebt gelijk als je denkt dat de idee van het goede iets is van een andere orde, en nóg mooier dan beide. Het is met kennis en waarheid net als met licht en gezichtsvermogen. Het is juist om te zeggen dat licht en gezichtsvermogen zonachtig zijn [helioeidè], maar niet dat ze de zon zijn. Zo mag je ook zeggen dat kennis en waarheid op het goede lijken [agathoeidè], maar niet dat een van beide het goede is. Nee, de gesteldheid [heksin] van het goede is nog hoger te schatten.

Dan moet het goede wel iets onbeschrijflijk [amèchanon] moois zijn! zei hij. Het biedt kennis en waarheid, maar is nóg mooier. Het kan toch niet dat je onder het goede het genot [hèdonè] verstaat?

Pas toch op je woorden! zei ik. Trek zijn gelijkenis [eikona] liever nog wat verder door.

Hoe?

Wat de zon betreft ben je toch met me eens dat hij niet alleen maakt dat de zichtbare dingen gezien kunnen worden, maar dat zij ook zorgt dat die ontstaan, groeien en worden gevoed, al is bij de zon zelf van ontstaan [genesin] geen sprake.

Inderdaad.

Zo moet je eveneens met me eens zijn dat het goede er niet alleen voor zorgt dat het kenbare gekend kan worden, maar het ook zijn bestaan [to einai] en zijn wezen [ousian] verleent, al is bij het goede van bestaan eigenlijk geen sprake, maar stijgt zij aan gene zijde boven het bestaande [epekeina tès ousias] in waarde en kracht uit. 

Glaukon maakte er een grapje van: Apollo! God die boven alles gaat [daimonias huperbolès]!

Het is jouw schuld, zei ik. Jij dwong me te zeggen hoe dit mij toescheen.

Daar moet je ook mee doorgaan, zei hij. Werk in ieder geval de gelijkenis van de zon nog verder uit, als daar nog iets aan toe te voegen valt.

Daar valt inderdaad nog heel wat aan toe te voegen, zei ik.

Laat dan geen detail meer achterwege, zei hij.

Ik denk dat ik heel wat zal moeten overslaan. Maar ik zal zo goed en zo kwaad als dat in de huidige omstandigheden gaat niets met opzet overslaan.

Graag, zei hij. Dan moet je bedenken, zei ik, dat het, zoals we zeiden, om twee verschillende dingen gaat die over hun eigen geslacht en terrein [genous te kai topou] heersen. In het ene geval het denkbare [noètou], in het andere geval het zichtbare [horatou]. Nee, ik heb het niet over wat je boven je ziet [ouranou], dan zou je nog denken dat ik met woorden ging jongleren [sophiszesthai peri to onoma]. Maar wil je die twee categorieën [eidè], het zichtbare en het kenbare, uit elkaar houden?

Vragen bij de tekst

  1. Wat kan het te betekenen hebben dat ‘het vele gezien wordt, maar niet gedacht’ en dat de ideeën daarentegen ‘gedacht worden, maar niet gezien’?[t] Laat dit zien aan de hand van een zelf verzonnen voorbeeld. 
  2. Beschrijf de kenmerken van het juk tussen zien en geziene c.q. kennen en gekende die in dit tekstfragment genoemd worden. 
  3. Leg de volgende zin uit in eigen woorden: ‘Dus de zon is niet het gezichtsvermogen, maar dat gezichtsvermogen waardoor wij haar kunnen zien is wel aan haar te danken [aitios].’ Bedenk daarbij …
    1. … dat je het juk tussen zien en geziene nooit objectief kunt zien[t];
    2. … waarom het juk van zien en gezien vooraf gaat aan het zien en het geziene, zonder dat dat ‘vooraf’ chronologisch begrepen kan worden.
  4. Zijn de zon en de idee van het goede hetzelfde? Licht je antwoord toe aan de hand van passages uit het fragment. Je kunt ook de grotgelijkenis erbij betrekken. 
  5. De idea tou agathou is als aitia maatgevend voor het kennen en de waarheid. 
    1. Waarom is het nodig dat de idea tou agathou zich ‘aan gene zijde’ [epekeina] van de zijnden bevindt?
    2. Waarom wordt Plato ook wel de vader van de metafysica genoemd?
  6. In de afsluitende passage roept Sokrates op de terreinen van het zichtbare en kenbare uit elkaar te houden.
    1. Wat heeft het voor de would-be filosoof te betekenen dat Sokrates hiertoe moet oproepen?  
    2. Heidegger spreekt in dezen van de ontologische differentie en schrijft daarover: ‘Erst im Vollzug dieses Unterscheidens, griechisch κρίνειν, nicht eines Seiendem von einem anderen Seienden, sondern des Seins vom Seienden, kommen wir in das Feld der Philosophische Problematik.’[n] Welke verdere aanwijzingen voor de would-be filosoof zijn in dit citaat te vinden over het hoe en waar van de filosofie? 
    3. Bekijk de School van Athene. Worden in Rafaels schilderij de terreinen van het zichtbare en kenbare uit elkaar gehouden?