Als je ergens van overtuigd bent, dan geloof/denk/meen je dat het zo is. Maar weet je dan ook dat het zo is? Niet per se, of per se niet zelfs.
Om de betekenisverschillen tussen weten en menen/denken/geloven op het spoor te komen is het inzichtelijk een zogenaamde semantische analyse uit te voeren. Je kijkt dan naar de manier waarop beide termen wel en niet kunnen worden gebruikt.
We gaan uit van de volgende twee uitspraken:
- Ik weet dat Sokrates de leermeester van Plato is.
- Ik geloof/denk/meen dat Sokrates de leermeester van Plato is.
- Hieronder vind je een aantal variaties op de eerste uitspraak. Lees de zin en vul daarna voor ‘weten dat’ telkens ‘geloven/denken/menen’ in. Op deze wijze doemen er allerlei betekenisonderscheidingen tussen weten en geloven/denken/menen op. Met name blijken in ‘ik weet dat’ allerlei claims verborgen te liggen. Noteer bij iedere variant de verborgen claim.
- Ik weet dat Sokrates de leermeester van Plato is, maar ik kan me vergissen.
- Ik weet dat Sokrates de leermeester van Plato is, maar het blijkt niet waar te zijn.
- Ik wist dat Sokrates de leermeester van Plato is, maar het blijkt niet waar te zijn.
- Ik wist toevallig dat Sokrates de leermeester van Plato is, en het bleek nog waar te zijn ook!
- Ik weet dat Sokrates de leermeester van Plato is, al valt dat niet te bewijzen.
- Alleen ik weet dat Sokrates de leermeester is van Plato.
- Ik weet dat Sokrates de leermeester van Plato is, maar ik weet niet wat Sokrates is.
- Definieer ‘weten’ op basis van de ontdekte claims bij vraag 1.
- Iemand beweert: ‘Ik weet dat Plato de leermeester van Sokrates is.’ Volgens Sokrates bevindt deze persoon zich in de ergste toestand die hij zich kan indenken. Omschrijf deze toestand.