Let op het subtiele verschil tussen: Ik heb kennis en Ik heb een kennis.
Vraag 1: Omschrijf in eigen woorden het betekenisverschil tussen deze twee uitspraken.
De Britse filosoof Bertrand Russell onderscheidt kennen en weten als volgt:
1. Knowledge by acquaintance: het kennen van dingen of personen op basis van een directe bekendheid of vertrouwdheid met deze dingen of personen; 2. Knowledge by description: kennis door beschrijving van deze personen of dingen, al dan niet op basis van directe bekendheid of vertrouwdheid.[n]
Vraag 2: Categoriseer de volgende voorbeelden in knowledge by acquaintance en knowledge by description:
- Mont Blanc is 5.642m hoog.
- Het reisverslag van mijn klimmaat over onze beklimming van Mont Blanc.
- Mijn herinneringen aan het beklimmen van Mont Blanc.
- Na de uitloving van een beloning van twintig Louis d’or door Horace-Benedicte de Saussure, duurde het nog 26 jaar voordat de top van Mont Banc werd bereikt.
- De top van Mont Blanc werd op 8 augustus 1786 voor het eerst bereikt.
- Ik lees deze zinnen over Mont Blanc.
- Gemiddeld overlijden 0,65 op de 1.000 personen bij het beklimmen van Mont Blanc.
- Het topje van Mont Blanc ligt in het Teylers museum.
- Op de top van Mont Blanc kookt water bij 82 °C.
- Als Mont Blanc hoger is dan Mount Everest en Mount Everest hoger dan de Elbrus, dan is Mont Blanc hoger dan de Elbrus.
Vraag 3: Welke kennis is volgens jou op het eerste gezicht echte(re) kennis: beschrijvingskennis of kennis van dingen (zaken en personen)? Licht je antwoord toe.
Vraag 4: In beide vormen van kennis kun je fouten begaan. Hoe komen die fouten mogelijkerwijs tot stand en hoe verschillen ze van elkaar? Leg uit met concrete voorbeelden zoals hierboven, maar gebruik liever voorbeelden uit de eigen ervaring.
Een wetenschapper beperkt zich doorgaans tot Russells tweede vorm van kennis, knowledge by description. En in veel gevallen is beschrijvingskennis feitenkennis: weten dat iets het geval is.
Vraag 5: Het is een feit dat het woord ‘feit’ in het Nederlands op verschillende wijzen wordt gebruikt. De twee meest gebruikte betekenissen zijn: 1) Een feit is een overzichtelijke gebeurtenis, waargenomen door ooggetuigen; 2) Een feit staat vast en is onomstreden.
a. Categoriseer de voorbeelden van vraag 2 volgens deze twee gangbare betekenissen en bekijk of er feiten zijn die in beide categorieën voorkomen.
b. Bedenk welk van de voorbeelden een zogenaamd ‘geaggregeerd feit’ is.
c. Nogal wat pseudowetenschappers wordt door echte wetenschappers verweten dat ze aan denialism doen: bepaalde feiten worden gewoonweg glashard ontkend. Diverse wetenschappers uit het Midden Oosten ontkennen bijvoorbeeld dat de Holocaust heeft plaatsevonden. Maar, was niet juist kenmerkend voor feiten dat ze onomstreden zijn? Welke ‘wetenschappers’ zijn in deze kwestie nu de echte wetenschappers en op basis waarvan?
Vraag 6: Je kunt onderscheid maken tussen de feitelijke stand van zaken in de werkelijkheid en feitenkennis over de werkelijkheid.
a. Welke van de voorbeelden uit vraag 2 geven voornamelijk een stand van zaken in de werkelijkheid weer, en welke feitenkennis over de werkelijkheid?
b. Feitenkennis over de werkelijkheid kan onwaar zijn (en daar zijn voorbeelden van in vraag 2, als je ze zou checken). Kunnen standen van zaken ook onwaar zijn?
c. Op 8 november 2016 hield Donald Trump zijn inauguratiespeech voor zijn eerste presidentstermijn. Er waren volgens hem meer mensen aanwezig dan bij de speech van zijn voorganger, Barack O’Bama. Toen CNN-verslaggevers zijn woordvoerder Kelly Ann Conway confronteerden met foto’s van beide evenementen waarbij duidelijk bleek dat bij O’Bama’s speech veel meer mensen aanwezig waren, antwoordde zij dat zij beschikte over alternative facts. Gaat het Conway om alternatieve standen van zaken of om alternatieve kennis over standen van zaken?
Wat maakt dat een wetenschapper zich beperkt tot feitenkennis? Het heeft te maken met hét kenmerk van feitenkennis is: ze is overdraagbaar en daarmee overstijgt ze de individuele ervaring.
Vraag 7: Vergelijk de zinnen 2 en 3 uit vraag 2. Omschrijf zo precies mogelijk wat er nu wel en niet overdraagbaar is aan mijn beklimming van de Mont Blanc.
Vraag 6: Waarom zou je als wetenschapper de individuele ervaring willen overstijgen?
Vraag 7: De wetenschapper beperkt zich tot overdraagbare feitenkennis. Tegelijk is Russell ervan overtuigd dat ‘all knowlegde rests upon acquaintance as its foundation.’
a. Waarom zou je acquaintance als foundation opvatten en niet description?
b. Als acquaintance de basis is, dan moet het kunnen worden omgezet in description. Welke uitdagingen spelen er bij deze omzetting? Leg uit aan de hand van concrete voorbeelden.
c. Verzin of geef een eigen voorbeeld van een omzetting van descriptive knowledge naar acquaintance.
d. Noem een aantal zaken die niet kunnen worden omgezet van description naar acquaintance.
Vraag 8: Feitenkennis overstijgt de individuele ervaring, het is algemene kennis. Keer op keer blijkt echter: mensen zijn sterk geneigd eerder te vertrouwen op anekdotisch bewijs (kennis uit eigen ervaring of kennis die kennissen hen verschaffen) dan op wetenschappelijke feitenkennis.
a. Welke kennis is doorgaans onbetrouwbaarder, denk je?
b. Vanwaar die natuurlijke neiging van de mens om anekdotisch bewijs te vertrouwen?
c. Vanwaar zou de wetenschapper tegen die natuurlijke neiging ingaan en zich richten op het vergaren van feitenkennis?
Vraag 9: Breng het onderscheid leren over filosofie en leren filosoferen onder in de categorieën knowledge by acquaintance en knowledge by description. Wat valt je op?