Bekijk de volgende uitspraken, die grammaticaal gelijksoortig zijn:
- Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd.
- Alle vrijgezellen zijn gezellig.
Vraag 1: Je zult de uitspraken herkennen als kennisoordelen, maar toch is intuïtief een aantal verschillen te ontwaren als je enkele eenvoudige vragen stelt:
a. Stel je wil met je studiegenoot een enquête gaan houden om de waarheid van beide uitspraken te toetsen. Jij doet uitspraak 1, je studiegenoot uitspraak 2. Wie van beide hoeft niet de straat op en kan meteen naar het koffiehuis?
b. Maak beide uitspraken ontkennend. Wat valt je op?
c. Welk van beide uitspraken is noodzakelijk (altijd) waar, en welke kan ook onwaar zijn (contingent)?
d. Welke uitspraak vergroot je kennis van vrijgezellen (of hij nu waar of onwaar is), en welke uitspraak verheldert je kennis van het begrip vrijgezellen hoogstens?
Vraag 2: De verschillen tussen beide uitspraken die door de beantwoording van vraag 1 aan het licht zijn getreden, zijn later bekend geworden onder de naam Hume’s Fork en verder uitgewerkt door Kant – en daarvoor werden ze ook al uiteengezet door de grote Leibniz. Teken in je Notizbuch een tabel met twee kolommen en vier rijen (zorg voor ruime cellen!). Breng onderstaande aspecten van Hume’s Fork onder in de twee kolommen, zorg dat in de rijen de bij elkaar horende aspecten tegenover elkaar staan:
- relation of ideas
- a posteriori
- contingent
- matters of fact
- analytisch
- noodzakelijk
- a priori
- synthetisch
En vul de bovenstaande aspecten aan met de volgende omschrijvingen:
- (waar of onwaar)
- (kenbaar voorafgaand aan de ervaring)
- (kennisoordelen)
- (definities)
- (vermeerder kennis over het begrip)
- (kenbaar na de ervaring)
- (altijd waar)
- (verheldert het begrip louter)
Vraag 3: In het volgende fragment uit zijn Enquiry concerning human understanding uit 1748 zet Hume aan tot boekverbanding. Dat is niet niks: zijn vork is voor hem blijkbaar echt een idea that matters!
If we take in our hand any volume; of divinity or school metaphysics, for instance; let us ask, Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number? No. Does it contain any experimental reasoning concerning matter of fact and existence? No. Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illusion.
a. Wat doet Hume in dit fragment? Maak in je beantwoording gebruik van de richtlijn Analyseer de grammaticale aspecten!
b. Welke volumes (boeken) hoeven volgens Hume niet op de brandstapel en in welke tand van de vork kunnen ze worden ondergebracht?
c. De volumes die Hume for instance noemt zijn vast niet willekeurig gekozen. Waarom, denk je, worden juist boeken over divinity en metaphysics genoemd?
d. Immanuel Kant schreef dat het lezen van Hume hem uit zijn dogmatische sluier wekte en hem aanzette tot het schrijven van zijn volumineuze Kritiken. Op welke manier keert in het tekstfragment het dilemma terug waarvoor wij would-be filosofen ons met Kant geplaatst zien?
Vraag 4: Wat is een vork zonder mes? Dat Hume’s Fork onlosmakelijk is verbonden met Hume’s Guillotine blijkt uit het fragment dat is te vinden in de oefening Can you derive an ought from an is? Keer terug naar je uitwerkingen van de vragen 1 en 2a en 2b, of werk ze alsnog uit.
Vraag 5: Breng onderstaande uitspraken onder in Hume’s Fork. Als een uitspraak niet is onder te brengen, weet je wat je te doen staat: commit it to the flames!
a. Op de Noordpool kun je alle richtingen op, maar alleen zuidwaarts.
b. God is datgene waarboven niets groters gedacht kan worden.
c. God is dood.
d. Dat Aristoteles een tweede zonde tegen de filosofie voorkwam is een laffe daad geweest.
e. Op 1 november 1755, 9.40 ’s ochtends werd Lissabon verwoest door een aardbeving met een vermoedelijke kracht van 9 op de schaal van Richter.
f. 7 + 5 = 12.
g. Alles wat gebeurt heeft een oorzaak.
h. Als A groter is dan B, en B groter dan C, dan is C groter dan A.
i. Alle uitspraken die geen mathematische of logische uitspraken zijn, en ook niet empirisch kunnen worden waargemaakt, zijn epistemologisch gezien zinloos.
Vraag 6: Hieronder volgen twee constateringen. Welk vraagstuk doemt op als je beide constateringen samen probeert te denken? Constatering 1: Je kunt pas (a posteriori) ervaren dat vrijgezellen gezellig zijn, als je al a priori weet wat vrijgezellen zijn. Constatering 2: Het begrip (idea) vrijgezel is je niet aangeboren en toen je kind was wist je nog niet wat een vrijgezel was.
Vraag 7: Kants oplossing van het dilemma van de filosofie bestond daarin dat hij het mogelijk zijn van bestaande synthetische uitspraken a priori onderzocht. Onderzoek welk van bovenstaande uitspraken volgens Kant synthetische a priori uitspraken zijn.
Vraag 8: Kant achtte de mogelijkheid van analytische a posteriori uitspraken onmogelijk. Verzin eens enkele voorbeelden van dergelijke uitspraken? Zijn ze mogelijk, denk je?