Exit through the Gift shop!

Wellicht kun je hier je heil vinden. Vaarwel!!

Als wetenschappers van vandaag zich niet echt meer lijken bezig houden met Galileo, waarom dat dan wel als filosoof doen? 

Voordat we deze vraag kunnen beantwoorden moeten we natuurlijk wel eerst weten waar we als filosoof Galileo op moeten zoeken – als er wat dat betreft überhaupt nog iets te vinden is. Het antwoord is eenvoudig: Galileo vind je als filosoof niet op de maan, maar in zijn teksten. We zullen hier eerst toespitsen op een kort fragment uit zijn Dialoog over de twee voornaamste wereldsystemen van 1632. Meteen rijst natuurlijk weer een vraag: waarin ligt het filosofische van Galileo’s tekst? Ook dit antwoord is eenvoudig: het filosofische van Galileo kan pas blijken als we hem filosofisch weten te lezen. En dat gaan we nu proberen te doen.

Voordat we in de passage duiken nog een enkele oriënterende opmerking over de titel van het boek. Met de twee wereldsystemen worden bedoeld: enerzijds het Copernicaans heliocentrische en anderzijds het toentertijd gangbare Ptolemaïsch geocentrische, dat gebaseerd was op het denken van Aristoteles en dat in de middeleeuwen de officiële leer van het christelijke denken uitmaakte. 

Aan het woord in dit fragment zijn Salviati – die opgevat kan worden als de spreekbuis van Galileo – en Simplicio – de aanhanger van het Ptolemaïsche systeem. De derde deelnemer aan het gesprek – Sagredo – komt in dit fragment niet aan het woord. Hij vertegenwoordigt het gezonde verstand van de geïnteresseerde leek. Probeer voor de eerste lezing al de rol van Sagredo aan te nemen, zodat je aandachtig kan volgen wat beide sprekers te zeggen hebben. Beantwoord vervolgens de vragen bij het tekstfragment. 

Salviati: Terugkerend naar ons onderwerp, merk ik op dat de in onze tijd aan de hemel ontdekte verschijnselen van dien aard zijn en zijn geweest, dat ze alle filosofen[t] volledig kunnen bevredigen: bij individuele hemellichamen en in het hemelgewelf als geheel hebben we immers verschijnselen gezien – en we zien deze nog steeds –, lijkend op die welke wij hier ontstaan en vergaan noemen: voortreffelijke sterrenkundigen hebben veel kometen waargenomen die ontstaan en weer opgelost zijn in gebieden boven de baan van de Maan, en ook de twee nieuwe sterren uit de jaren 1572 en 1604, die zonder de minste twijfel op zeer grote afstand stonden, verder dan alle planeten. Op het oppervlakte van de Zon zelf zien we dankzij de telescoop dat er dichte, donkere gebieden ontstaan en weer oplossen, die erg lijken op de wolken op Aarde, en veel daarvan zijn zo groot dat ze in omvang niet alleen de Middellandse Zee verre overtreffen, maar ook heel Afrika en Azië. Welnu, meneer Simplicio, wat denkt u, als Aristoteles deze dingen zou zien, wat zou hij dan zeggen en wat zou hij dan doen?

Simplicio: Ik weet niet wat Aristoteles, patroon van de wetenschappen, zou doen en zeggen, maar ik weet zeker wel iets van hetgeen zijn volgelingen doen en zeggen, opdat ze in de filosofie niet zonder gids, zonder geleide en zonder voorman zijn. […] Wat de nieuwe sterren betreft, daar rekent de Antitycho [een aanhanger van Aristoteles] in een paar woorden mee af, door te stellen dat het niet zeker is dat zulke moderne nieuwe sterren deel uitmaken van de hemellichamen en dat als zijn tegenstanders het bewijs willen bewijzen van zich daar boven voltrekkende verandering en ontstaan, zij in de sterren die al heel lang geleden beschreven zijn en waarvan niemand betwijfelt dat het hemellichamen zijn, veranderingen moeten aantonen, en dat zal hen op geen enkele manier ooit lukken. Over de materie waarvan sommige zeggen dat ze ontstaat en weer verdwijnt op het oppervlak van de Zon, laat hij zich in het geheel niet uit; daaruit leid ik af dat hij dat voor een sprookje houdt, of voor gezichtsbedrog veroorzaakt door de telescoop, of hoogstens voor atmosferische storingen, kortom voor alles behalve hemelmaterie.[n]


Vragen bij het teksfragment:

  1. De eerste richtlijn bij filosofisch lezen luidt: Lees sympathiek! Waarom is het filosofisch om de tekst sympathiek als een Sagredo te lezen, en niet als een Simplicio of een Salviati?
  2. Aan het begin van filosofie liggen verschillende scheidswegen. Hoe speelt de scheidsweg Gelijk hebben of gelijk krijgen? in dit tekstfragment? Neem in je beantwoording de volgende aandachtspunten in overweging: de aard van de tekst (dialoog of discussie?); de door Galileo gekozen namen (Salviati en Simplicio); je eigen lezen (kies je partij of valt er niets te kiezen?).
  3. Een andere scheidsweg luidt: ‘Filosofie mag niet dogmatisch zijn!’ Hoe speelt het dogmatische in het tekstfragment? En (hoe) speelt het in je eigen lezing?
  4. De vierde richtlijn bij het filosofisch lezen luidt: Blijf bij de (zaak van de) tekst! En wat is de zaak van de tekst? Aan de orde zijn een aantal ‘in onze tijd aan de hemel ontdekte verschijnselen’. Dat deze verschijnselen er zijn geweest wordt niet betwijfeld, ook niet door Simplicio. Wat is dan het probleem tussen Salviati en Simplicio?