Exit through the Gift shop!

Wellicht kun je hier je heil vinden. Vaarwel!!

Wanneer je je richt op datgene waarnaar de vraag vraagt (het gevraagde), dan vraag je naar het waarom van al het zijnde: Waarom is iets en niet niets?

Waar vraag je naar als je een waarom-vraag stelt? 

Vergelijk de twee waarom-vragen hieronder:

  • Waarom valt een steen naar de aarde toe en niet van de aarde af?
  • Waarom heb je de steen gegooid en hem niet laten liggen?

Waarin verschillen beide waarom-vragen? 

In het eerste geval kan het niet anders dan dat het zo gebeurt, het is noodzakelijk zo. Je vraagt dan naar een oorzaak. In het tweede geval was ook het alternatief mogelijk geweest. Je vraag dan naar een reden (voor een overtreding van een (on)geschreven regel), die verantwoord kan en moet worden. 

Je kunt dan noodzakelijke en voldoende gronden onderscheiden:

  • Noodzakelijke grond: ‘het had niet anders kunnen zijn zoals het is…’;
  • Voldoende grond: ‘het is liever zoals het is, dan dat het niet zo was…’

De vraag rijst natuurlijk: welke grond speelt in de vraag Waarom is iets en niet niets? – een noodzakelijke of een voldoende?


Lees onderstaande fragmenten uit Descartes’ Vertoog over de methode en Leibniz’ 24 stellingen en en vergelijk beide filosofen met elkaar. Schrijf je bevindingen uit en besteed daarbij aandacht aan de volgende aspecten:

  • Geef op basis van de fragmenten aan welke grond als uitgangspunt wordt genomen voor het ontstaan en bestaan van alles – een noodzakelijk of een voldoende?;
  • Op welke wijze er wordt geschreven en waarom daarvoor (op basis van het tekstfragment) is gekozen;
  • Wie of wat God is in deze fragmenten en wat hij doet;
  • En woorden die je niet kent of begrijpt, zoek je op!


De grond bij Descartes - uit: Vertoog over de methode[n]

[…] ik besloot […] om alleen te spreken over wat er zou gebeuren in een heel nieuwe wereld, indien God vandaag eens ergens in de denkbeeldige ruimte genoeg stof schiep om die wereld op te bouwen en Hij in verschillende richtingen en zonder orde de delen van die stof in beweging zette, zodat Hij er een chaos uit maakte, zo verward als de dichters maar kunnen uitdenken en Hij daarna niets anders deed dan zijn gewonen bijstand aan de natuur verlenen en haar laten werken volgens de wetten die Hij heeft ingesteld. […] Daarenboven liet ik zien welke de wetten der natuur waren, en zonder mijn gronden op enig ander beginsel te steunen dan op de oneindige volmaaktheden Gods, trachtte ik alle die te bewijzen waarover men enigen twijfel kon koesteren en te laten zien dat ze zodanig zijn, dat zelfs indien God verschillende werelden geschapen had, er geen enkele kon zijn waarin deze niet werden aangetroffen. Daarna toonde ik aan hoe het grootste deel der stof van deze chaos tengevolge van die wetten zich op een bepaalde wijze moest ordenen en schikken die haar overeenkomstig maakte aan ons heelal.


De grond bij Leibniz - uit: De 24 stellingen[n]

(1) Er is een ratio [= grond] in de Natuur, waarom iets liever bestaat dan niets. Dit is een uitvloeisel van dat grootse beginsel dat niets plaatsgrijpt zonder grond, net zo als er ook een grond moet zijn waarom het ene liever bestaat dan iets anders.

(2) Deze ratio moet in enig Werkelijk Zijnde of oorzaak zijn. Immers, een oorzaak is niets anders dan een werkelijke grond, en de waarheden van de mogelijkheden en noodzakelijkheden (oftewel: van die mogelijkheden die in hun tegengestelde ontkend zijn) zouden niets bewerkstelligen, wanneer de mogelijkheden geen grond zouden vinden in een zaak die actueel bestaat. 

(3) Dit Zijnde nu behoort noodzakelijk te zijn, anders zou er weer een oorzaak buiten dit zijnde gezocht moeten worden, waarom dit zijnde liever bestaat dan niet bestaat, hetgeen tegen de Onderstelling ingaat. Dit zijnde is namelijk de uiterste grond van de Dingen, en heet gewoonlijk met één woord: GOD. 

(4) Er is dus een oorzaak waarom de Existentie [= het zijn, bestaan van alles] de voorrang heeft boven de niet-Existentie, anders gezegd: het noodzakelijk Zijnde is existentiebewerkstelligend.