Exit through the Gift shop!

Wellicht kun je hier je heil vinden. Vaarwel!!

Dé vooronderstelling in de vraag Waarom is er iets en niet niets? is natuurlijk dat er iets is. Dat er iets is wordt aangenomen. 

‘Iets’ is. Wat kan dat te betekenen hebben?

Dat bijvoorbeeld deze stoel er is? Ongetwijfeld.

Of dat er überhaupt iets is? Ongetwijfeld.

Dan betekent ‘iets is’ niet alleen ‘dit is er’, maar ‘dat wat is’ als zodanig, oftewel: ‘al wat is’ voor zover het is.  

‘Dat wat is’ wordt in de filosofie genoemd: het zijnde. Bevraagd in de vraag wordt dan: het zijnde als zodanig in zijn geheel. 

Als je het zijnde als zodanig kunt identificeren, kun je uitmaken wat er allemaal in werkelijkheid is. Je kunt dan het geheel van het zijnde vaststellen. 


‘Aangenomen nu dat het zijnde en het ene hetzelfde zijn…’[n] 

Wil je de vraag Waarom is er iets en niet niets? beantwoorden, dan zul je eerst eens moeten uitzoeken wat er dan allemaal in (de) werkelijkheid is. Oftewel: je gaat onderzoeken wat er tot de inventaris van de werkelijkheid behoort. 

Een inventaris is een lijst van alle aanwezige voorwerpen en goederen. Wat natuurlijk niet mag in het opmaken van een inventaris: zaken dubbel tellen. Tellen vooronderstelt: eenheden kunnen onderscheiden. Hier ligt het probleem van de individuatie: wat kan als eenheid gelden? Als je de inventaris van de werkelijkheid wil opmaken, zal je dus eerst de vraag moeten beantwoorden: wat maakt een zijnde tot zijnde? Als je dat namelijk weet, dan weet je het principe van de inventaris en heb je een criterium in handen waarmee je kunt uitmaken wat wel en wat niet tot de inventaris van de werkelijkheid gerekend kan worden. En handig aan deze principiële kennis is natuurlijk dat je niet zozeer alles wat er is hoeft op te gaan sommen, maar wel direct kunt uitmaken of iets wel of niet tot de inventaris van de werkelijkheid behoort als het je wordt voorgehouden. 

Op basis van het bovenstaande kan nu het volgende stappenplan worden opgesteld:

  1. Onderzoek eens wat grote filosofen onder het zijnde als zodanig verstaan. Denk aan Plato (idea), Aristoteles (ousia), Thomas van Aquino (ens creatum), Descartes (res cogitans, res extensa), Leibniz (la monade), Berkeley (esse est percipi), Hume (impressions), Kant (Gegenstand), Heidegger (Seiende als solches). Werk je bevindingen uit in een notitie.
  2. Stel aan de hand van het bij 1 gevonden criterium van het zijnde vast welke van onderstaande zaken wel en welke niet tot de inventaris van de werkelijkheid behoren:
    1. Jan [vul hier in: de naam van je beste vriend(in)]
    2. ik
    3. de mens (als soort)
    4. moedig
    5. je hand
    6. waterdamp
    7. wolken
    8. blauw
    9. de Slag bij Stalingrad
    10. 43 meter 
    11. de gelijkzijdige driehoek
    12. God
    13. goud
    14. schijnbaar gebroken potlood in glas water
    15. hamer
    16. kop
    17. steel
  3. Overzie de inventaris van de werkelijkheid en noteer welke zaken je opvallen (binnen en buiten de inventaris). Vergelijk vervolgens eens twee of meer filosofen met elkaar. Welk criterium van het zijnde is het meest geschikt? Licht je antwoord toe.