Hoe de ‘general’ In Artificial General Intelligence te bedenken? Onderstaand fragment uit Descartes' Discours de la méthode geeft daarvoor aanwijzingen. Lees het en werk de erbij horende vragen schriftelijk uit:
Hier verwijlde ik in het bijzonder bij het bewijs dat, als er zodanige machines waren, die de organen en het voorkomen van een aap of ander redeloos dier hadden, wij geen enkel middel zouden hebben om in te zien dat zij niet in alles van denzelfden aard als die levende wezens waren. Terwijl als er waren die gelijkenis met ons lichaam hadden en onze handelingen zo goed nabootsten als practisch maar mogelijk was, wij altijd twee zeer zekere middelen zouden hebben om in te zien dat zij daarom toch geen echte mensen waren. Het eerste is dat zij nooit woorden konden gebruiken of andere tekens konden samenstellen zoals wij doen om aan de anderen onze gedachten duidelijk te maken. Want men kan zich wel denken dat een machine zodanig is gemaakt dat ze woorden uitbrengt, en zelfs dat ze er enkele uitbrengt naar aanleiding der lichamelijke werkingen die enige verandering in haar organen zullen teweegbrengen, zoals dat, wanneer men haar op een bepaalde plek aanraakt, ze vraagt wat men haar wil zeggen; wanneer op een andere, ze schreeuwt dat men haar pijn doet en dergelijke. Maar niet dat ze die woorden verschillend rangschikt om te antwoorden op den zin van alles wat men tot haar zeggen zal, gelijk de domste mensen kunnen. Het tweede is dat, al deden zij verschillende dingen evengoed of misschien beter dan iemand onzer, ze onvermijdelijk in enige andere dingen zouden falen, zodat men zou ontdekken, dat ze niet handelden door inzicht, maar alleen door de inrichting van hun organen. Want, terwijl de rede een universeel werktuig is, dat in alle mogelijke omstandigheden kan dienen, hebben deze organen een zekere bijzondere inrichting nodig voor elke afzonderlijke handeling.
Vandaar dat het praktisch onmogelijk is dat er genoeg verschillende in een machine zijn om deze in alle zich voordoende omstandigheden des levens op dezelfde wijze te doen werken als onze rede ons doet handelen. Door deze twee zelfde middelen nu kan men ook het verschil inzien dat er is tussen de mensen en de dieren. Want het is heel merkwaardig dat er geen mensen zo stomp of dom zijn, krankzinnigen zelfs niet uitgezonderd, die niet in staat zijn verschillende woorden bijeen te groeperen en daaruit een uitdrukking samen te stellen waardoor zij hun gedachten te verstaan geven, en daarentegen er geen ander levend wezen is, hoe volkomen en van gelukkigen aanleg het zijn moge, dat iets dergelijks doet. Wat niet komt doordat ze daartoe de organen missen, want men ziet dat eksters en papegaaien woorden kunnen voortbrengen zoals wij en toch niet kunnen spreken zoals wij, dat wil zeggen daarbij blijk gevend dat ze denken wat ze zeggen. Terwijl mensen die, doof en stom geboren, verstoken zijn van de organen die den anderen dienen om te spreken, evenzeer of meer dan de dieren, uit zichzelf enige tekens plegen uit te vinden waardoor ze zich doen begrijpen door hen die gewoonlijk met hen verkeren en de gelegenheid hebben hun taal te leren. Dit bewijst niet alleen dat de dieren minder rede bezitten dan de mensen, maar dat ze er in het geheel geen bezitten. Want men ziet dat er zeer weinig van nodig is om te kunnen spreken en, al moge men ongelijkheid opmerken tussen de dieren van eenzelfde soort evenzeer als tussen de mensen, en sommige gemakkelijker te dresseren zijn dan andere, zo is het niet te geloven dat een aap of papegaai, ook als hij tot de volmaaktste van zijn soort behoorde, daarin niet een kind zou evenaren dat tot de domsten behoort of althans een kind welks hersenen gekrenkt zijn, indien hun ziel niet van geheel anderen aard was dan de onze. En men moet de woorden niet verwarren met de natuurlijke bewegingen die de aandoeningen uitdrukken en door machines evengoed als door dieren nagebootst kunnen worden, noch ook denken, als enige Ouden, dat de dieren spreken, hoewel wij hun taal niet verstaan. Want als dat waar was zouden ze, daar ze verschillende organen hebben die gelijken op de onze, zich evengoed verstaanbaar kunnen maken voor ons als voor hun gelijken. Ook is zeer merkwaardig dat, hoewel er verschillende dieren zijn die blijk geven van meer vaardigheid dan wij in sommige hunner handelingen, men toch ziet dat dezelfden daarvan geen blijk geven in vele andere. Zodat wat ze beter doen dan wij niet bewijst dat ze een geest hebben, want in dat geval zouden ze er meer van hebben dan ieder onzer en beter doen in ieder ander ding; maar veeleer dat ze er geen hebben en dat de natuur het is die in hen werkt volgens de inrichting hunner organen. Zoals men ziet dat een uurwerk dat enkel samengesteld is uit raderen en veren nauwkeuriger de uren kan tellen en den tijd meten dan wij met al ons verstand.
Vragen bij het tekstfragment:
- Wat doet Descartes in dit fragment?
- Je kunt Descartes zien als een voorloper.
- Hoe is het verschil tussen ANI en AGI terug te lezen in het fragment?
- Onderzoek hoe Descartes in dit fragment een proto-Turingtest verzint en hoe je er volgens Descartes achter kunt komen dat je met echte mensen te maken hebt, en niet met dieren of machines.
- Leg uit waarom je Descartes’ visie op het onderscheid tussen mensen en dieren niet als volgt kunt samenvatten: De mens kan praten, dieren kunnen niet praten.
- Descartes’ tekst stamt uit 1637. Wordt zijn denken over denken inmiddels niet weerlegd door het bestaan van Large Language Models?
- Je kunt de tekst ook tegendraads lezen, door te letten op de woorden waarin gesproken wordt. Wat valt je op als je kijkt naar hoe de woorden ‘algemeen’ (universeel), ‘artificieel’ (machine) en ‘intelligentie’ (rede, inzicht) hier vallen?