- Ga (terug) naar het “curriculaire spinnenweb” in de inleiding van deze afdeling en bekijk hoe de vraag Waar(naar)toe leren wij? daarin geplaatst is ten opzichte van de andere aspecten. Noteer wat je opvalt.
- Ga (terug) naar de oefening Wat is leren volgens de leraren? en zoek het citaat waarmee jij instemt. Bekijk met welk van de drie bovengenoemde onderwijsdoelstellingen dat citaat het meest overeenkomt. Doe hetzelfde met het citaat waarmee je niet instemt.
- Ga (terug) naar de oefening Instrumenteel of intrinsiek?, werk de waarom-keten uit, beginnend met ‘Ik fiets naar school, waar is dat goed voor?’ en bekijk waar dat op uitloopt. Vergelijk je uiteindelijke antwoord met de gekozen citaten bij vraag 2.
- Vraag aan een willekeurige derde klas VWO waar de afkorting VWO voor staat en de helft zal zeggen: voortgezet wetenschappelijk onderwijs. Doorgaans is er maar weinig besef van het geheel waarin je terecht bent gekomen. Zoek uit waar de afkorting van je onderwijsvorm en/of opleiding voor staat. Noteer de aanwijzingen naar de doelstellingen die in deze benaming besloten liggen.
- Beschouw de onderwijsinstelling waaraan je onderwijs volgt (of hebt gevolgd).
- Zoek in de schoolgids op waar de school voor staat (vaak te vinden in de inleidende teksten) en stel vast op welk van de drie doelstellingen de meeste nadruk ligt, en op welk de minste.
- Komen de doelstellingen in de schoolgids overeen met hoe het er in werkelijkeid aan toe gaat?
- Breng de verschillende vakken die je er volgt (of volgde) onder in de verschillende doelstellingen. In hoeverre komt de verdeling van de vakken overeen met het beeld dat in de schoolgids wordt geschetst?
- Vergelijk de rangschikking van doelstellingen van je onderwijsinstelling met jouw eigen rangschikking in vraag 1.
- Jaarlijks doet de Inspectie van het Onderwijs verslag van de staat van het onderwijs in Nederland. In het rapport van 2019 worden kort de belangrijkste doelen van het Nederlandse onderwijs op een rij gezet:
Allereerst moet het [onderwijs] jongeren begeleiden naar werk als werknemer of ondernemer. Ten tweede is het onderwijs erop gericht jongeren als burger volwaardig deel te laten uitmaken van de samenleving. En om elke jongere daadwerkelijk in staat te stellen te werken en mee te doen, moet het onderwijs de benodigde kennis en vaardigheden meegeven. Ten slotte is het de opdracht van het onderwijs om de talenten van álle leerlingen en studenten tot bloei te laten komen. Anders gezegd: allocatie, socialisatie, kwalificatie en selectie met gelijke kansen, dat zijn de kerntaken van het Nederlandse onderwijs.
- Met welke in de inleiding genoemde doelstellingen komen allocatie, socialisatie en kwalificatie overeen?
- Vergelijk de rangschikking van de doelstellingen uit het fragment met de rangschikkingen uit vraag 1 en 2. Wat kun je opmerken ten aanzien van de onderwijsomgeving waarin je terecht bent gekomen?
- Wat denk jij: kunnen socialisatie (burgerschapsvorming) en subjectificatie (persoonsvorming) naast elkaar bestaan of sluiten deze doelstellingen elkaar uiteindelijk uit?
- Een afsluitende vraag: In hoeverre ben je als persoon dan wel persona bij de onderwijsdoelen van je onderwijs betrokken?
Als leerling weet en kan je per definitie nog-niet-voldoende, volg je daarom onderwijs en word je gewezen in de richting van een einddoel. Als je enig inzicht wil verkrijgen in je leerling-zijn zul je alvast enige notie moeten hebben van die doelstellingen – ook al zul je ze (per definitie) nog niet geheel en al kunnen bevatten.
Inmiddels zijn de (macro)doelstellingen van het westerse onderwijs historisch uitgegroeid tot de volgende drie:
1. Subjectificatie, oftewel de ontwikkeling van leerlingen tot zelfstandige, kritische individuen die eigen keuzes kunnen maken en verantwoordelijkheid dragen. Het gaat hier om persoonsvorming, niet alleen om aanpassen aan wat er al is.
2. Kwalificatie, oftewel het verwerven van kennis en vaardigheden die nodig zijn voor vervolgstudie of werk. Denk aan vakinhoudelijke kennis, maar ook aan algemene vaardigheden zoals analyseren en schrijven.
3. Socialisatie, oftewel het inleiden van leerlingen in bestaande maatschappelijke, culturele en politieke tradities. Ze leren hoe een samenleving functioneert, welke normen en waarden er gelden, en hoe ze daarin kunnen deelnemen.
Lees het artikel ‘Competentieleren – een grootschalig experiment op mensen’ van A.M. Oudemans en Th.C.W Oudemans in drie rondes volgens het stappenplan hieronder. Werk je bevindingen schriftelijk uit.
Lezing 1: Doe een voorbeschouwing.
Lezing 2: Lees het artikel nu zodanig nauwkeurig dat je begrijpt wat er staat. Schrijf daarbij de volgende zaken uit:
- Noteer woorden die je niet kent of begrijpt. Zoek ze op in het woordenboek.
- Leg uit wat competentieleren is, liefst in eigen woorden. Wees wel nauwkeurig!
- Noem de twee uitgangspunten van competentieleren en een aantal consequenties.
- Wat is de centrale stelling van het artikel?
- Op welke wijze onderbouwen de auteurs hun centrale stelling? Geef tenminste twee voorbeelden.
Lezing 3: Denk zelf na over het stuk.
- Noteer wat je opvalt aan de toon van spreken. Wat willen de auteurs?
- Ben je het eens met de stellingname van de auteurs? Betrek in je antwoord gerust je uitwerkingen van de andere xyz-oefeningen.
- (In hoeverre) zijn de oefeningen van xyz een vorm van competentieleren?